Historiek

In 1174 stond rond een kapel ter ere van Sint-Pieter een leprozenhuis. Pas in 1783 werden de gebouwen van het oude leprozenhuis ingericht als een echt ziekenhuis. De Magistraat van Brussel besliste in die periode in dit Sint-Pietersziekenhuis het oude Sint-Janziekenhuis onder te brengen. In 1786 kwam het gebouw in handen van de Oostenrijkers en Jozef II maakte er een “algemeen ziekenhuis” van, naar het voorbeeld van het ziekenhuis in Wenen. In 1788 liet hij de opleiding klinische geneeskunde van de faculteit Geneeskunde vanuit Leuven naar dit ziekenhuis overbrengen. Zo werd het ziekenhuis een “universitair ziekenhuis”.


Van een klooster tot een hedendaags ziekenhuis

Onder Napoleon werden in het Sint-Pietersziekenhuis opnieuw opleidingen klinische geneeskunde gegeven. In 1809 gingen er “gratis cursussen geneeskunde, chirurgie en farmacie” van start die niet meer bedoeld waren om universitairen op te leiden, maar gewone zorgverleners. Deze cursussen, die vanaf 1824 opnieuw in scholen voor geneeskunde werden gegeven, zullen later de basis vormen van de faculteit Geneeskunde van de Universiteit van Brussel. Zo werd het ziekenhuis opnieuw een universitaire onderwijsinstelling. In deze periode was het ziekenhuis nog steeds gevestigd in de gebouwen van de 18de eeuw die nog niet werden gemoderniseerd en dus volledig ontoereikend en verouderd waren.

Het universitaire buurtziekenhuis

De eerste renovatiewerkzaamheden vonden plaats tussen 1849 en 1878. Het nieuwe Sint-Pietersziekenhuis telde in 1877 777 bedden. Rond 1885 genoot het ziekenhuis een goede reputatie door voornamelijk de chirurgen die er werkzaam waren. Niet alleen Louis-Joseph Seutin, de eerste grote Belgische chirurg, opereerde in dit ziekenhuis, maar na hem ook Jules Thiriar en Antoine Depage. Het ziekenhuis was ook een van de eerste in België met radiografieapparatuur (1898). De gebruikers bekritiseerden echter al snel de gebouwen van het nieuwe Sint-Pietersziekenhuis . Door de snelle ontwikkeling van gespecialiseerde diensten, de oprichting van laboratoria (ca. 1890), het begin van klinische onderzoeken en het stijgende aantal studenten geneeskunde, had Brussel rond 1900 nood aan een modern ziekenhuis dat was aangepast aan onderwijs en onderzoek. Omdat het Sint-Pietersziekenhuis middenin een woonwijk gelegen was, was het sinds zijn oprichting een ziekenhuis waar ambulante verzorging heel belangrijk was.

De universiteit wou van het ziekenhuis een “universitair ziekenhuis” maken dat nog steeds door de administratie van Godshuizen zou worden beheerd, maar waarin de universiteit ook zou mogen beslissen over de benoemingen van het medisch personeel. In dezelfde periode, en meer bepaald in maart 1920, besliste dokter Antoine Depage in Woluwe een "nationaal" ziekenhuis met 600 bedden op te richten waarin specialisten konden worden opgeleid. Een groot hervormingsprogramma van de opleidingen geneeskunde in Brussel werd uitgewerkt. Dit programma bevatte de oprichting van het ziekenhuis in Woluwe door dokter Antoine Depage en een grondige hervorming van het Sint-Pietersziekenhuis door de Brusselse raad van Godshuizen. De universiteitsinstellingen moesten ook worden gecentraliseerd in de buurt van dit laatste ziekenhuis en de Stad Brussel moest de aankoop, door onteigening, van grote stukken gronden rond het ziekenhuis cofinancieren. Een delegatie onder leiding van dokter Antoine Depage ging, met het oog op financiële steun, naar Amerika om het project voor te stellen aan de Stichting Rockefeller.

ODe Stichting liet op 1 december 1920 weten dat zij een subsidie zou geven van 40 miljoen Belgische frank voor het hervormingsprogramma, maar dat slechts één ziekenhuis mocht worden weerhouden. Antoine Depage liet daarop zijn persoonlijk project varen. Op 30 april 1921 tekenden alle betrokken partijen een overeenkomst. Het ziekenhuis moest worden gemoderniseerd en aan het onderwijs worden aangepast. In het begin zou er plaats moeten zijn voor minstens 350 bedden, laboratoria en alle nodige bijgebouwen voor raadplegingen en pathologische anatomie, laboratoria voor klinisch onderzoek, maar ook voor een verpleegsterschool van de universiteit. De definitieve plannen werden op 26 november 1926 goedgekeurd door de Commissie van Openbare Onderstand, maar men stelde toen vast dat het oorspronkelijke aantal van 350 bedden onvoldoende was en door de financiële moeilijkheden kon dit aantal niet worden verhoogd. Omdat er voortdurend een tekort was aan financiële middelen, werd in 1928 een beroep gedaan op de bevolking om de bouw van een bijkomende, vierde verdieping voor de kinderafdeling te financieren. In 1929 werd beslist een vijfde verdieping te bouwen, deze keer voor de materniteit en de kamers voor betalende zieken. Uiteindelijk telde het Sint-Pietersziekenhuis bij zijn opening op 4 juli 1935 545 bedden en 65 kinderbedjes.

Vernieuwende architectuur

Het Sint-Pietersziekenhuis is altijd een "volledig" ziekenhuis geweest waarin elke specialisatie zijn raadplegingsruimte en bedden had. Het was zowel op architecturaal als organisatorisch gebied ook een "Amerikaans" ziekenhuis, wat in die periode een primeur voor België was. Architect Dewin tekende een verticaal, "corridor system"-ziekenhuis zodat een "snelle communicatie en een eenvoudige samenwerking tussen de diensten, zalen, consultatieruimten en de school voor geneeskunde" mogelijk was. Dokter J. Wydooghe, directeur van het ziekenhuis, beheerde ook het ziekenhuis naar het Amerikaanse voorbeeld. Op medisch gebied wou het Sint-Pietersziekenhuis een groepsziekenhuis worden, waar samenwerking tussen de geneesheren van de verschillende disciplines centraal staat en waar traditiegetrouw de raadplegingen veel aandacht krijgen. Er zou zelfs een spoedafdeling komen, die de Commissie van Openbare Onderstand in 1963 verder zal uitbreiden en moderniseren. Voor de geneesheren, en voornamelijk voor de diensthoofden van de diensten geneeskunde en chirurgie, was de invoering van het voltijdse regime heel vernieuwend. Het ziekenhuis was een voorbeeld van samenwerking tussen de Universiteit en "de raad van welzijn". Door hun ligging vormden de laboratoria en de ziekenhuizen een “plaats van uitwisseling tussen wetenschap en ervaring aan het bed van de zieken”.

Het ziekenhuis begon zijn rol als pionier waar te maken. Bepaalde innoverende ideeën werden verder ontwikkeld, zoals medische archivering, medisch-sociale dienstverlening, ziekenhuisboekhouding en dieetleer. Het model van 1935 hield op twee belangrijke gebieden echter niet lang stand. Vanaf 1938 beslisten eerst de ziekenhuizen Brugmann en Sint-Pieter voor hun gespecialiseerde diensten samen te werken want beiden hadden te weinig patiënten en financiële problemen. Vervolgens werd de “wetenschappelijke site” aan de Hallepoort ontbonden door de verhuizing van de faculteit Geneeskunde en de universitaire instellingen. Het Sint-Pietersziekenhuis zou zich in de daaropvolgende decennia voortdurend moeten aanpassen aan de evolutie in de medische wetenschappen en technologieën en aan de mentaliteitswijzigingen, maar uiteindelijk zouden de onaangepaste gebouwen een cruciale rol spelen. Ze waren ontoereikend voor de uitbreiding van de raadplegingen (te weinig wachtzalen en praktijkruimtes), de onderzoeksmethoden (radio, laboratoria), de uitbreiding van de afdelingen, de nieuwe activiteiten zoals medische urgentie, en bovendien was het niet mogelijk om de ruimtes te scheiden om besmetting binnen het ziekenhuis te voorkomen en om de patiënten beter te kunnen dienen. Daarna werden de volgende werkzaamheden uitgevoerd: nieuwe spoedgevallendienst (1963), nieuwe laboratoria (1970), nieuwe polikliniek (1985), installatie van nieuwe liften. Het ziekenhuis was een continue werf tot in 1987. Toen kon het ziekenhuis voor de derde keer worden heropgebouwd.

 

Claire DICKSTEIN
Ere-archivaris
OCMW Brussel

25 jaar wederopbouw van het UMC Sint-Pieter